Goliath monoloog – september 2011

Goliath, I Samuel 17:4-11, 32-45, 48-51 / Mattheüs 26:52

Voor de kinderen: Een manier om oorlog te voorkomen…

Weet je in welke landen er nu oorlog is?

Afghanistan, Libië…

Heb je wel eens oorlogje gespeeld?

Denk je dat ik vroeger oorlogje speelde?

Ik vond het wel leuk en spannend, maar is oorlog leuk?

Wat is er erg aan oorlog?

 

Dat vonden ze vroeger ook al.

Al die mensen die worden doodgemaakt.

Kan dat nou niet anders? – dachten ze.

En weet je wat ze dan soms deden?

 

Dan lieten ze in plaats van een heel leger maar twee mannen vechten.

Kampvechters – noemden ze die mensen.

Daarmee konden ze voorkomen dat er heel veel mensen sneuvelden.

Eigenlijk best een slimme manier.

 

Dat zou nu ook wel handig zijn, als twee vijanden zeiden:

Weet je wat, we gaan niet op elkaar schieten.

Maar laten er twee van ons een potje judoën, of worstelen, of voetballen…

En wie wint, nou, zijn volk krijgt dan gelijk…

 

In het verhaal dat ik vandaag ga lezen gaat het ook over twee kampvechters.

Een heel grote, een soort reus, en een gewone jongen.

Heb je al een idee?

——————–

Korte inleiding monoloog Goliath

 

Ik hoef u niet uit te leggen dat Goliath geen historische figuur is,

maar een mensentype,

door de verteller plastisch en humoristisch neergezet.

Een mensentype dat ook in ieder van ons schuilt.

Het verhaal is echt gecomponeerd.

In het Hebreeuws komt dat vooral uit de verf in de klanken

die de reusachtige, haast metalen figuur van Goliath uitdrukken.

Een reusachtige blikken robot, zo wordt hij geschilderd.

Het verhaal is samengesteld uit verschillende volksvertellingen,

legenden en heldensagen zoals die in omloop waren.

Opmerkelijk is de tegenstelling tussen de geweldenaar van drie meter hoog

en David, die nadrukkelijk met het woord “jongetje” wordt aangegeven:

naär – een kind nog.

Opmerkelijk is ook dat Goliath consequent wordt aangeduid

als “de Filistijn” – waar verholen spot van de verteller in doorklinkt.

 

Tot zover wat achtergronden.

Ik kruip nu in de huid van het mensentype Goliath,

zoals we dat natuurlijk overal om ons heen zien.

De “ik” is Goliath die in een andere dimensie terugkijkt op zijn leven,

zeg maar vanuit de hemel, en zich richt tot David.

Wat nu volgt is dus:

De Goliathmonoloog.

————

Meditatie

Beste David,

een onmens, zo zagen jullie mij.

Ik weet het, ik zag er ook niet uit als een mens.

Eerder als een machine, een vechtmachine,

opgebouwd uit zware metalen.

Een wandelend pantservoertuig.

Er was nauwelijks een menselijk plekje aan mij te zien,

geen kwetsbare huid, geen ogen die iemand aankijken.

Een vierkante kolos van haat.

Maar wie ben ik eigenlijk?

 

Het lijkt primitief, maar ik zie in de wereld van vandaag

nog net zoveel vechtmachines in plaats van mensen,

kolossen van haat, wandelende pantservoertuigen.

En wat ik ook vandaag nog herken, dat is: woorden als wapens.

Wij beiden, David, weet je nog, gebruikten woorden als wapens.

Ik was voorgeprogrammeerd om te schelden en te vloeken.

Daarmee begon ik jullie uit te dagen, met woorden,

woorden die vernederden en bespotten, woorden die vervloekten.

Met alleen mijn woorden al wist ik jullie klein te krijgen.

Behalve… jou.

Jij wist er ook goed raad mee, met woorden.

Het ergste, meest vernederende scheldwoord dat je mij toevoegde, was:

Die onbesneden Filistijn.

Daarmee drukte je al je verachting uit.

Want dat was wel het ergste in jullie ogen: Een onbesneden Filistijn.

Een onmens, een beestmens, een wild dier in het kwadraat.

Ik was inderdaad niet meer herkenbaar als mens.

Ik was niet mezelf.

Of was ik wel mezelf? Ben ik dat?

Een onbehouwen Filistijn, een killer?

Wie ben ik eigenlijk?

 

 

Ik moet zeggen, David, jij bleef jezelf.

Toen Saul jou met pantser bekleedde,

toen jij werd ingekapseld in het harnas van het geweld,

toen jij werd opgedirkt als vechtmachine,

toen merkte je al snel dat een oorlogstenue je niet paste.

Laat mij maar gaan zoals ik ben, zei je, als een herder.

Als de mens die ik ben.

Laat mij die onbesneden Filistijn maar tegemoet treden

alsof het een roofdier is – zei je.

Zoals je als herder een leeuw en een beer tegemoet trad,

zo wilde je ook mij bevechten.

Jij bleef jezelf, je bleef ook jezelf in jouw God.

Je was er duidelijk over dat niet jij de strijd aanging, maar jouw God.

En ik, ik vervloekte jullie in naam van onze goden.

En zo werd het een godenstrijd,

zoals zoveel oorlogen nog altijd een godenstrijd zijn.

Met God aan onze zijde…

Ik had wel eens iets over jouw God vernomen, David,

maar veel respect had ik niet voor hem,

want meestal wonnen wij, de Filistijnen,

of liever, onze goden wonnen bijna altijd.

En trouwens, waarin verschilde jouw God van onze goden.

Hij was toch net zo goed een oorlogsgod.

Jullie hele Oude Testament staat toch vol

met door jullie God gesanctioneerde oorlogen,

net zoals onze godensagen…

Maar toegegeven, jij bleef jezelf:

de gelovige herdersjongen, of eigenlijk, herdersjongetje, David.

Maar wie ben ik?

Alleen maar zoveel kilo harnas?

Alleen maar een monsterlijk groot vijandbeeld?

Alleen maar geschreeuw en gevloek?

Wie ben ik eigenlijk?

 

 

Ik wil dat je mij begrijpt, David.

Ik wil dat je weet dat ik woon in alle mensen,

ik, de Filistijn, de onmens, het reusachtige kwaad,

ik woon in ieder mens.

Ik wil ook dat je weet, David, dat ik niet anders kon…!

Ik wist immers niet beter.

Ik was opgevoed in geweld en kwaadaardigheid.

Ik was van kinds af aan de vooruitgeschoven pion van de agressie.

Nooit heb ik anders gehoord dan strijdliederen, haatliederen, oorlogsgeroffel.

Net zoals ieder mens was ik een product van mijn omgeving.

Wie nooit anders hoort

dan dat die mensen van dat volk je grootste vijanden zijn,

die kan niet anders meer denken.

Net zoals nu nog steeds onze nazaten,

de Fili- pardon, de Palestijnen, en de Israelische kinderen,

van jongs af aan niet anders horen dan dat zij daar de vijanden zijn,

en elkaar dus met stenen bekogelen,

zo werd ik gehersenspoeld, voorgeprogrammeerd, als vechtmachine.

De mens die ik was, de mens met een naam: Goliath,

werd al meteen in de kiem gesmoord

en wat van mij overbleef was: De Filistijn.

Wie ben ik eigenlijk?

Ik ben een slachtoffer, David!

Ik werd geslachtofferd als kampvechter, om mijn volk te kunnen sparen.

Ik weet het, David, altijd werd ik gezien als dader, als agressor,

maar een dader is ook altijd slachtoffer, David.

Wie ben ik eigenlijk?

Ik ben een onmens??

Ook een onmens is een mens.

 

Het was nauwelijks zichtbaar, zeker.

De mens die ik was zat verstopt onder zware lagen metaal.

En er was maar één plek die onbeschermd was,

één plek waar ik kwetsbaar was, waar ik mens was:

het stukje huid tussen mijn ogen, onder de helm.

En precies daar, David, en met grote precisie, trof jouw steen mij!

In dat kleine stukje menselijkheid dat zichtbaar was,

dat minieme stukje gewone mens,

dat open en bloot plekje kwetsbaarheid – daar raakte jij mij.

Was dat nodig geweest?

Had het anders gekund?

In die oorlogszuchtige tijd misschien niet.

Ik neem jou niets kwalijk.

Maar mijn leven is geslachtofferd aan geweld,

zoals nog altijd zoveel levens kapotgaan aan geweld

en ik wil dat het stopt.

En ik niet alleen…

 

En nu moet ik denken aan die latere David,

die ze naar jou noemden: Zoon van David…

Ook hij leefde in een tijd van onderdrukking en oorlogen,

alleen heette de vijand nu geen Filistijn meer, maar Romein,

en de joodse opstandelingen Zeloten,

en weet je, ik heb me vaak voorgesteld wat hij zou doen, die Zoon van David.

Zou hij ook met stenen gooien?

Schaarde hij zich in slagorde?

Hij was misschien wel een kampvechter … maar zonder wapens!

Toen een van zijn leerlingen een zwaard trok, zei hij:

Doe weg dat zwaard, want als je de ander doodt dood je jezelf.

Als David, niet jij, maar hij tegenover me had gestaan,

zou hij dan ook een steen geslingerd hebben

naar dat ene plekje menselijkheid?

 

Wat ik me altijd ben blijven afvragen is:

Zou hij het onvoorstelbare hebben gedaan?

Zou hij daar misschien, precies daar,

de hand op hebben gelegd

en mij gezegend?

Amen.

28 augustus 2011, liturgie rond Goliathmonoloog (Met: De sonate “David en Goliath” van Johann Kuhnau)

– Welkom en mededelingen

– Intochtpsalm: Psalm 31:1

– We buigen en zwijgen voor het heilige…

– Bemoediging: Onze hulp in de naam van de Eeuwige, die hemel en aarde gemaakt heeft.

– Groet: De vrede van Christus met allen, amen.

– Zingen: Psalm 31:2

– Inleiding thema: David en Goliath in woord en muziek

– Kyriëgebed, eindigend met: Zo bidden wij U zingend: Heer, ontferm U…

– Glorialied: Gez. 44:3

– Gebed bij de opening van de Schriften

– Voor de kinderen: Een manier om oorlog te voorkomen

– Lezing I Sam. 17:4-11 (uitdagen Goliath)

– Orgelspel: deel 1,2 van de sonate

– Lezing I Sam. 32-45 (Davids vertrouwen op God)

– Orgelspel: deel 3

– Lezing I Sam. 48-51 (strijd en overwinning)

– Orgelspel: deel 4

– Lezing Matth. 26:52

– Korte inleiding Goliathmonoloog

– Zingen: Gez. 10

– Meditatie

– Orgelspel: deel 5,6

– Gebeden

– Onder collecte: orgelspel deel 7

– Slotlied: Psalm 31:3,4

– Zegen:

De Eeuwige zegene u en behoede u.

De Eeuwige doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig

De Eeuwige verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede,

Amen.

Na de zegen: orgelspel deel 8

Drempelgebed

U zoeken wij in de stilte van ons hart.

Komend vanuit het rumoer,

vanuit de veelheid aan zorgen soms,

vanuit de eeuwige jacht van onze gedachten,

de altijd opspelende gevoelens,

zijn wij hier bijeen

om rust te vinden – uw rust.

Amen

 

Kyriëgebed

Wij bidden U:

Heer, ontferm U.

Laat ons deelhebben aan uw ontferming.

Neem ons op in uw zee van barmhartigheid,

zodat wij ons over elkaar ontfermen,

ons over U ontfermen.

Kyrië eleison.

 

 

Gebed bij de opening van de Schriften

Eeuwige liefde, dooradem ons met uw levensadem.

Beziel onze geest met uw Geest.

Dring door alle lagen heen,

dring door in onze diepste kern

waar Gij woont:

Christus in ons.

Amen.

Gebeden

Gij – verborgen zijt Gij

in de oude verhalen.

Tussen de regels verstopt,

schuilgaand achter uw eigen naam,

moeten wij uw geheim opdiepen

als de Geest van barmhartigheid

die niet schreeuwt, maar fluistert in onze harten.

Wij loven U om deze, uw stille nabijheid.

 

Wij noemen U onze voorbeden:

– Voor de onderdrukte volken in Afrika en het Midden-Oosten, in het bijzonder Libië en Syrië

– Al die slachtoffers van oorlogen overal ter wereld

– De miljoenen die honger lijden in de Hoorn van Afrika, de structurele armoede in zoveel Afrikaanse en Aziatische landen

– De mensen die het moeilijk hebben in onze eigen samenleving, de onrust, de druk en de zorgen, de onzekerheden, economisch, qua werk, mentaliteit, agressie

– Allen die te maken hebben met ziekte, van zichzelf, geliefden, thuis en in ziekenhuis of verpleeghuis, in het bijzonder de mensen uit onze eigen gemeenschap

– De mensen die het geestelijk moeilijk hebben, depressief of angstig zijn, de eenzamen en zij die een groot gemis ervaren

– Voor wie ons lief zijn, ons eigen leven, onszelf, in de stilte

………

Wij bidden het gebed dat Jezus ons leerde:

Onze Vader…