Woedende liefde, december 2011

Ik heb getracht diep in het verhaal
van Mattheüs te duiken en daarbij ook mijn best gedaan om los te komen van mijn
oude vooronderstellingen, mijn oude bril – om het op nieuwe manier te verstaan,
vanuit de tekst zelf en vanuit Mattheüs zelf. Wat ik vooral op het spoor
gekomen ben is de woede in het geboorteverhaal, maar het is subtiele
woede, verhulde woede.

In een monoloog kruip ik in de huid
van Mattheüs. U begrijpt natuurlijk dat het mijn interpretatie is. Voelt u zich
vrij om er afstand van te nemen.

 

 

 

Meditatie:
Ik Mattheüs…

Lieve mensen uit de 21e
eeuw,

mag ik mij even voorstellen?

Ik ben Mattheüs, de woedende jood.

We schrijven zo’n 80 jaar na Christus
– zoals jullie dat zijn gaan zeggen.

Ik heb zojuist de laatste hand gelegd
aan mijn eerste en enige boek.

Jullie moeten weten dat ik lid ben
van een joodse gemeenschap

die zich wil laten inspireren door
die andere joodse man:

Jeshua, die jullie kennen als Jezus.

Joodse christenen – zijn jullie ons
later gaan noemen.

Nou zult u misschien zeggen: Alweer
een boek over Jezus.

Er zijn er inmiddels duizenden
geschreven.

Dat klopt, in jullie tijd.

Jullie theologen houden er ook maar
nooit mee op, met die schrijverij.

Maar ook in mijn tijd ben ik niet de
enige.

En er zijn inderdaad een paar oude
boekjes die ik heb gebruikt

zoals het mooie, ingetogen verhaal
van Marcus.

Toch heb ook ik mijn verhaal over Jezus
willen schrijven.

Ik wil een paar accenten leggen die
bij de anderen niet zo voorkomen.

 

Dat is om te beginnen het jood zijn
van Jezus.

Daarom spreek ik op een joodse manier
over God

en ik plaats hem heel bewust in de
joodse traditie.

Alles wat ik vertel heeft zijn
spiegel in de oude Hebreeuwse verhalen

die jullie om een of andere
raadselachtige reden

het Oude Testament zijn gaan noemen.

Ik richt me vooral tot mijn
geloofsgenoten en tijdgenoten,

en dus tot mijzelf, want ik heb het
idee

dat wij de profeet die nota bene uit
ons is voortgekomen

totaal verkeerd begrepen hebben,

ja, dat wij onze eigen traditie vaak
niet begrijpen,

ons eigen geloof niet en onze God
niet.

 

Wat ik nog maar weer eens over het
voetlicht wil brengen

is de kern van ons geloof – en dat
is: de liefde.

Ja, ik zie sommigen van u vermoeid
kijken:

Weer zo’n zoet liefdesverhaal?

Maar liefde in onze traditie is niet
zomaar een abstract begrip

of een goedkope algemene waarheid
waar iedereen wel ja bij knikt.

Liefde van de God uit onze verhalen
is specifieke, gerichte liefde,

liefde voor hen die niet voor
zichzelf op kunnen komen,

de randfiguren, de stillen in den
lande, de kwetsbare mensen.

Liefde van God is liefde voor het
kind in zijn meest hulpeloze gestalte

zoals Jeshua een kind was, die nacht.

 

Liefde van God is in deze wereld
daarom altijd woedende liefde.

Hoezo woedende liefde?

Is het niet om woedend te worden

over wat het kind wordt aangedaan in
deze wereld?

Zie het voor je: wat kinderen wordt
aangedaan …

… (korte stilte)

 

Woedend – over de kansloosheid van
zoveel pasgeborenen…

Over de kille, liefdeloze jeugd van
zoveel kinderen…

En nog veel meer: woedend

dat zij die staan te schreeuwen op de
markt het meest gehoord worden…

Dat de bezuinigingen van jullie
regering de meest bijzondere mensen,

de verstandelijk beperkten, de
zuivere “kinderen” onder ons  treffen…

Dat het onrecht altijd lijkt te
zegevieren…

Dat je in de steek gelaten wordt door
mensen die je vertrouwde…

… en vult u verder maar in: misschien
uw eigen woede …

… (korte stilte)

 

Liefde ja, maar woedende liefde.

Onze oude psalmen hebben daar een
ouderwets woord voor: toorn.

Dan denken velen uit jullie tijd aan
een chagrijnige god

die op een berg zit te roken en te
grommen,

maar dat klassieke woord heeft alles
met liefde te maken:

Toorn is de spits van de vlam van
Gods liefde.

 

Zelf ben ik haast kapot gegaan aan
mijn woede.

Want zo gaat dat met woede als je
niet uitkijkt.

Het bepaalt je verschrikkelijk bij je
machteloosheid.

Overal om je heen zie je domheid,
grof onrecht en botte liefdeloosheid,

en je kunt er niets tegen doen …
aaarrrgh!

Het is om tegen de muren op te lopen.

En juist omdat je zo machteloos bent

slaat je woede naar binnen en gaat
jouw ziel verwonden.

Het vreet aan je als permanente
ergernis,

maakt je wrokkig en bitter,

dompelt je ziel onder in negativisme
en duistere gevoelens.

Woede maakt het kind in je kapot.

Bijna overkwam het mij – tot ik
dacht:

Mijn woede wordt destructief.

Het is niet goed dat er alleen maar
woede overblijft.

Het gaat immers om woedende liefde.

Het moet wel liefde blijven.

En toen dacht ik:

Ik ga mijn woede verstoppen in mijn
verhaal over Jezus.

Ik maak mijn woede tot woord, tot
verhaal, tot literatuur.

Jullie psychologen noemen dat geloof
ik sublimeren.

En jullie dominee vertelde mij

dat ook in het Boeddhisme zo met
woede wordt omgegaan:

ontken het niet, maar puur de kracht
eruit,

buig het om tot liefdevolle kritiek,

tot mededogen met de meest kanslozen.

Ik Mattheüs de Boeddhist, het moet
niet gekker worden.

Lukas zou zich slap lachen.

En Jezus al helemaal!

… Jezus … de pure liefde himself …

… maar wat kon ie woedend zijn …zo!

 

Op die manier heb ik mijn woede
overwonnen:

door de vernietigende werking eruit
te filteren

en alleen de kracht over te houden.

Een kracht die altijd liefde is, want
uit de liefde kwam de woede voort.

En zo heb ik mijn geboorteverhaal van
Jezus geschreven.

Mijn heilige verontwaardiging heb ik
verstopt in mijn woorden,

in de opbouw van mijn verhaal.

Het gaf mij rust mijn woede fijntjes
te verpakken

in Hebreeuwse namen en zinnetjes.

 

Of ziet u niet hoe ik die stamboom
heb opgebouwd

waarmee mijn verhaal begint?

De oude joodse boeken wemelen immers
van de geslachtsregisters.

Dus heb ik dat genre ingepast in mijn
verhaal

en er heel subtiel allerlei namen in
gevlochten

van misbruikte mensen, randfiguren,
buitenstaanders:

Rachab, de buitenlandse hoer – kan
het erger? –

Tamar, de misbruikte, Ruth, de
Moabitische,

en Bathseba, die aan Davids harem werd
toegevoegd.

En Jozef, Jozef de dromer, kent u die
ergens van?

Zien jullie hoe ik hem in mijn
verhaal naar voren schuif?

Jozef, de bescheiden man, altijd in
de schaduw van Maria,

de stille figuur die aan de zijlijn
staat toe te kijken.

Wie van jullie herkent zich misschien
in hem?

Zien jullie hoe prominent en bepalend
ik hem maak?

De laatsten de eersten, ja…

En wat dacht u van de magiërs, de
wijzen,

u weet wel, die uit het oosten, het
gehate Babylon?

Door mijn eigen volk als heidenen van
het eerste uur gezien!

Deze heidenen, op wie werd
neergekeken, krijgen van mij de hoofdrol.

O, wat heb ik daar later een plezier
om gehad,

dat deze heidense Babyloniërs vooraan
staan in alle kerststallen!

Het is me hiermee werkelijk gelukt

om de liefde van God voor verachte
buitenlanders uit te drukken.

En nu staat in alle kerststallen Gods
woedende liefde uitgebeeld.

Zoveel effect had ik niet verwacht!

En Herodes met zijn kindermoord –
komt die u bekend voor?

Mijn volk denkt dan meteen aan het
verhaal van de farao,

aan de jongetjes die verdronken
werden in de Nijl, aan Mozes.

En mijn woede komt hieruit voort dat
er nog steeds niets veranderd is,

dat er nog steeds kinderen worden
geslachtofferd …

 

en
dat heel veel mensen in jullie westerse cultuur

het kind in zichzelf vermoorden

en
God in zichzelf vermoorden…

 

Toch behoud ik mijn liefde – juist
vanwege dat kind in onszelf.

Een Christuskind, een onschuld, een
beginsel van liefde,

een kern van God, de Geest in onze
geest.

Dat heb ik willen laten zien met mijn
geboorteverhaal.

Dat er vele redenen zijn om je
woedend te maken,

ook, zogezegd, voor God,

maar dat in de chaos van de wereld en
van onze geest

toch altijd weer dat kind geboren
wordt

en gered wordt.

Amen