19 februari 2017 – Muziekdienst Arvo Pärt

1 Cor. 3: 16-19

Overdenking.

Het was druk bij de uitgang van de VU in Amsterdam. Samen met collega’s had ik geboeid naar haar verhaal geluisterd. Nu liep ze voor mij uit, behoedzaam met haar stok, want ze was op leeftijd. In haar andere hand had ze losjes een oude bruine aktetas. Op dat moment was ik de enige die wist wat er in die tas zat. Een oud geel papier, het doopbewijs dat haar leven als joodse meisje had gered. Haar hele leven zat in die ene oude tas … Ze had er vaak op scholen van verteld. Maar bij ons was het anders, was ze emotioneel. Vanaf de rand van het kamp keek zij, zo vertelde ze, dun door haar wimpers naar de ondergaande zon. Dan leek het prikkeldraad ervoor net niet helemaal echt. Daar wil ik leven, daar bij de zon. Dit gevoel wil ik vasthouden, daar ga ik van vertellen als ik later vrij ben. God was zo dichtbij, ik kan het niet anders zeggen. Toen zij en haar broer aan de beurt waren kwam het doopbewijs, nog net op tijd, aan in het kamp. Vervalst zoals voor velen. Zij had het aan ons laten zien, opgevouwen in een vies klein zakje, expres nooit meer gewassen. We hadden nog wat nagepraat en nu liep zij voor mij uit met haar leven in die tas, haast onverschillig in haar hand. Ik liet haar met mijn aandacht los en liep nu stevig door naar het station op die gure, koude dag. Toch bleef ik aan haar denken. Zij had haar leven en haar geloof met ons gedeeld. Haar kinderlijk vertrouwen dat het goed zou komen had haar steeds weer kracht gegeven. In dat weerloze kleine zieke, kinderlijf, woonde toen ook God. Ze heeft ervan verteld, ze heeft ons binnengelaten in haar verhaal, in haar geheim. Terug in de trein moest ik aan die paar woorden uit de Bijbel denken: Weet je niet dat je Gods tempel bent. En dat de Geest van God in je woont? Ook als je bang bent, als je niet zeker bent van je leven- als jouw tas leeg is. Want jijzelf bent het huis waar God in woont. Dat bedenk je niet, dat kun je voelen, onder het denken door- en dan stamel je maar heel gewoon: God help mij in dit bange uur van de dood, zoals zij ons dat had verteld. En zegt Etty Hillesum in haar dagboek, en ten slotte: Moet je het verdriet van de wereld niet af en toe een klein onderdak verlenen? Het grote verdriet van de hele wereld en het kleine verdriet van jouw eigen zelf. Weet je dan niet dat je Gods tempel bent, voeg ik hier aan toe.

God hield mij overeind. Want hij woonde in mij, zo had zij aan ons verteld. Niemand kon dat van mij afnemen. Dat gaat niet over kerk maar over geloof. De tekst gaat nog verder. Als iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen. Daarin hoor ik dat de liefde het leven steeds weer corrigeert. Ook nu in de spannende tijd waarin wij met elkaar een weg naar heelheid moeten zoeken … Want Gods tempel is heilig, en die tempel ben jijzelf. Het is de grondtoon van je leven waar wij ons op af kunnen stemmen. Van binnenuit. Zo diep verbonden is die Ene met ons. Daar kan niets meer tussen komen. Daar heeft het kwaad geen vat op, dat gaf zij ons die ene middag mee. Wij schuilen in oude verhalen, in verhalen van elkaar, van vroeger en van nu met het oog op morgen. Kostbare verhalen, die vragen om respect. Verhalen die je meedraagt in jouw eigen leven, verhalen waar je misschien stukken van hebt weggelaten of wellicht vergeten bent. Laten we niet te snel denken dat we het verhaal van de ander begrijpen. Laten we niet te snel denken dat we weten hoe het zit. Maar zorgvuldig vragen, hoe is dat bij jou? Vanuit het besef, dat ook die ander een tempel is van de God. Een heilige plaats waar Gods Geest van liefde in woont. Dat is ons eigen lijf, ons lichaam een ander is er niet. In je denken en in alles wat je doet. In je vreugde en in je verdriet ben jij toch een tempel van die Ene die ons leven draagt. Een huis dat aan jou voor dit deze levensreis is toevertrouwd. Daar heb je geen kerk voor nodig, wel een plek om samen te komen. een plek waar je jouw verhaal kunt delen. Een plek waar je door je wimpers naar de ondergaande zon kunt kijken, voorbij elke vorm van prikkeldraad om je heen en in jezelf. Ook als je voelt en weet dat jouw tas leeg is. Niet dat ene document waar je al zolang op hebt gewacht. Niet die ene brief die nooit is aangekomen, of verstuurd. Een lege tas- waar je toch maar iets mee moet. Niet losjes in je ene hand maar zwaar, omdat er misschien teveel in zit. Aan verwachtingen, die niet zijn uitgekomen, aan ideeën, aan schaamte, aan een overwerkt verhaal. Ik denk nog een keer terug, zij loopt voor mij uit met haar oude tas slordig in haar ene hand. Het is druk, studenten, ouderen haasten zich naar de tram en naar de trein. Als kinderen van onderweg met ieder een uniek verhaal in hun levens tas. Allemaal een tempel, als kapel om bij thuis te komen. Als herberg voor elkaar waar je even niet van alles moet. Er is geen hek omheen. Geen muur, er is geen enkel in reis verbod. Want jij bent het zelf, een tempel van liefde. Een tuin waar je binnen mag gaan als een stip aan de horizon, daar aan de rand van het kamp. De tas en de tempel, horen bij dat verre turen over de heuvels. Een gedeeld geheim, een kostbare schat. Naam die de aarde zegent en mij weer tot leven wekt. Eeuwige in het Ene, in mij en in jou voor nu en altijd.