Overdenking 5 november 2017: Gedenken en verbinden

Delft, 5 nov. 2017
Gedenken en verbinden

Vorige week zijn we begonnen met de lessen van de woestijnvaders.

Heilige Syncletica van Alexandrie uit het “Menologion” van Basilius II (1000 n.chr)

We hebben de oude woorden samen gelezen.
Een broeder kwam naar de woestijn om van de abt Mozes  een les voor zijn leven[i] te ontvangen.
De abt zei tegen hem:
Keer terug naar je cel en ga zitten en de cel zal je alles leren.
Loop niet weg van je cel.
Jouw besloten ruimte, die plek waar jij veilig bent.
Toen gingen we na waar we deze woorden in ons eigen leven kunnen herkennen.
Waar was, waar is mijn cel?
Die plek waar ik tot mijzelf kan komen.
Iemand zei:
Toen ik aan het strand de wind door me heen voelde waaien.
Op de fiets- is mijn cel, zei een ander, dan kom ik tot mijzelf.
Dat ene moment toen ik in de Biesbosch naar de vissen stond te kijken.
Is jouw cel een vaste plek waar je naar terug kunt keren,
waar je even alleen kunt zijn, tot jezelf kunt komen?
Misschien thuis in je bed als alles stil valt en het de bedoeling is dat je in slaap valt.
Is het misschien een plek waar je naar terugverlangt?
Toen, hoe goed het was, toen alles nog heel en gaaf was ongebroken, een herinnering.
Als jouw cel een vaste plek is, kan die plek je ook aanstaren.
Zij is misschien leeg en onbewoond geworden.
Je kamer, maar ook je eigen huis. Je herinnering aan toen…

De oude tekst van de psalm zegt het zo:
De nacht valt met haar spoken. Weer een dag, er wordt op je geschoten,
koorts gloeit aan in de middag…
en dan: wees niet bang.
Dit gaat ook over ons, over ons eigen leven.
Je komt thuis en er is niemand meer die op je wacht.
Alleen- als alles stil valt, of als je ziek bent.
Als alles even stil valt, sta je ook gemakkelijk bloot aan negatieve gevoelens,
aan onzekerheid.
Ineens is alles niet meer vanzelfsprekend, er wordt op je geschoten.

Jouw cel is  dan niet een veilige haven maar een plek waar
je niet wilt zijn.
Je wilt niet naar binnen en de deur achter je dicht trekken.
Liever maar weer de stad weer in.

Tussen de spoken van de nacht, de vogelvangers die je mee lokken in negatieve gevoelens komt daar- een stem tussen door:
wees niet bang, ook al gloeit de koorts in je lichaam,
wees niet bang.
Jouw cel, jouw plek voelt misschien leeg
maar is niet echt onbewoonbaar geworden

Daarom zegt de abt tegen de leerling:
Loop niet weg. Keer terug naar je huis, naar jouw cel- en zij zal je alles leren.

Ook al komen de muren op je af, loop niet weg, hoe moeilijk dat ook voor je is.
Wees niet bang, zegt de oude tekst van de psalm.
Zo kwamen we die eerste keer- met de woestijnvaders en moeders- bij onze eigen cel:
een veilige plek waar je wel graag wilt zijn.
Onderweg, op de fiets, aan het strand op de wind.
Maar ook – als ik weer op de kinderen pas.
Zij maken me blij en geven mij aan mezelf terug.
Hoe gewoon kan het zijn.
De cel is niet een strenge lege ruimte, een leeg huis.
De cel gaat ook mee met zijn tijd en is vloeibaar geworden:

Zij is ergens onderweg in een moment, in een ervaring van even thuiskomen.
Op de fiets en in de wind.
Zo is het ook met deze oude plek, – nu in de krant al:
een voormalig Gods huis genoemd.
Nee, het is nog steeds voor ons een warme plek waar je met elkaar kunt schuilen,
waar je even alles kan laten voor wat het is.
Straks, als we gaan verhuizen, we weten nog niet zeker wanneer en waarheen, dan nemen we deze oude plek met ons mee als een cel, als een kluis
Als een dierbare open ruimte waar zoveel herinneringen liggen.

Ga terug naar je cel, en de cel zal je alles leren. Dat betekent ook :
Merk op wat je blij maakt en welke momenten je even weer thuis laten zijn, in de wind en op de fiets.
Alleen en met elkaar.
want ook voor de ander kun jij een veilige plek zijn, iets van God met haar vleugels van geborgenheid.

Die momenten zijn er ook nu.
in jouw eigen ruimte van leven.
Leef in aandacht. Kijk en wacht…

Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
Ied’ re minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten.
Waterdun omringd door het ogenblik.
Zwijgend eb van het gemoed.
Dat de minuten trekt en dat de vloed
Diep in zijn duisternis bereikt …
Dat ene moment, dood tij.
Er is geen tijd
Of is er niets dan tijd?
Je kent het misschien zelf van de zee aan het strand.
Dood tij. Eb.  Geen bereik en geen berichten.
Een stok in je wiel van vooruit.

Keer terug naar je cel en ga zitten en de cel zal je alles leren.
Ga het aan- loop niet weg voor je gevoelens van pijn en van gemis.
Ga het aan, hoe weerloos je ook bent, voor de ander en ook voor God.
Als het eb is – laat het komen, wees niet bang zeggen ook
de oude woorden ons.
Als je dat toe kunt laten, juist dan kom je heel dicht bij, God.
Bij die ene Nabije.
Hij jaagt ze weg, de vogelvangers met hun strikken.
Ook al gloeit de koorts op de middag in je lijf omhoog.
Wees niet bang.
Hij stopt je onder zijn vleugels, dat je daar veilig zit.
Zijn wieken- schild en betrouwen.
Weerloos voor de Ene altijd Nabije.
Hij draagt ook jou een levenlang en tot daarna.
Zo horen we nog weer uit dit oude lied:

Plagen waaien aan je tent voorbij.
Hij beveelt uit de hemel zijn boden,
als engelen zullen zij je op handen dragen
op al de wegen die je gaat.
Mijn toevlucht jij, mijn vaste burcht.
God van me, op jou bouw ik mijn leven.
Woon in mij, wees aanwezig in mijn cel-
zodat ik kan leven naar u toe.