Palmzondag (2018)

 

Palmzondag

Rineke Dijkstra, Vondelpark, Amsterdam, 19 juni 2000

De zoon van een vriendin stond vorige week in de krant.
Ik ken hem van kind af aan uit mijn vorige gemeente.
Bouwkunde gestudeerd maar de hele dag achter een laptop dat wilde hij niet.
Nu maakt hij kunstzinnige stekkerdozen.
Hij volgde zijn hart en ging op zoek, zijn hobby werd zijn vak.
Hij mediteert dagelijks en woont weer thuis net als onze jongste zoon door omstandigheden ook weer even bij ons in Bunnik woont.
Zij willen niet doorrennen maar ervaren  wat leven is.
Zij zijn op zoek naar de diepte, naar de grenzen en daarachter.
Het overlijden van de natuurkundige Stephen Hawking maakte ook bij ons indruk. Het grootste deel van zijn leven zat hij als patiënt in een rolstoel en schreef hij met een spraakcomputer.
Ik volgde zelf ook zijn boeken over het heelal, over de zwarte gaten.
Postuum komt er nog artikel over de waarschijnlijkheid van een multiversum, – het bestaan van nog weer andere heelallen.
Het duizelt je als je hierover hoort en tegelijk fascineert het mateloos want het brengt je naar de rand- en daaraan voorbij.
Twintigers die ik ontmoet boeit dit.
Zelfs de jongeren van de pizzaclub raken hier niet over uitgepraat.
Zij zijn voorbij aan religie, gegoten in een vast patroon.
Geen God te bekennen, laat staan een Hij ergens ver weg.
Tussen iets en niets zoeken zij hun weg (Tades Smedes).
Zij voelen iets aan van het ultieme mysterie, verborgen achter en in de dingen van alle dag. We hebben het er over thuis ’s avonds laat.
Zoeken samen naar nieuwe woorden en dat wordt misschien toch weer God,
of zoiets van.
Niet te vangen in een idee of concept.
Het zijn de verhalen die er toe doen, de visioenen van onze zieners en zoekers.
Je kijkt zo ver naar buiten als dat je zelf naar binnen kunt kijken.
Het is de weg van de mystiek, zo oud als de wereld en steeds weer nieuw.

Op dit punt kijken we terug naar het verhaal van de Intocht.
Als kind al wijs en dan meteen die woestijn. Het zoeken, verloren raken en dan toch weer gevonden zijn. Engelen staan om hem heen en dragen hem.
Zo is het ook voor ons, waar we reiken aan dat laatste –
voorbij een grens waar je ook weer niet wilt zijn.
Daar waar er ook ongelukken gebeuren als je zelf de grens niet meer kunt trekken tussen wat wel en wat niet tot het leven behoort.
Het is niet gek want woestijn hoort bij ons leven.
Rijk, overweldigend en stil verlaten als de nacht.
De jonge mensen, onze kinderen, kleinkinderen begrijpen dat net zo goed.

Daar gaat die ene mens, een oud verhaal wordt uitgespeeld.
De messias, de redder van mensen zit op een ezel.
Zijn voeten slepen over de grond, het ziet er niet uit
Je wilt het niet weten, Jezus de mens.
Hij leefde zonder eigen huis, gewoon maar langs weg.
At met bekenden en vreemden en logeerde bij hen thuis.
Vertelde over het leven maar sprak eigenlijk niet over God.
Hooguit in discussie met de theologen van die tijd.
Hij leerde over het leven, gaf zijn hart en was dichtbij.
Meer eigenlijk niet want dit is het waar het leven ook van ons over gaat.

De mensen langs de weg roepen hem toe, zwaaien met palmtakken.
Nu gaat het gebeuren, hij is het- onze held.
Alleen die ezel- is even drie keer niks.
Ze zien niet dat dit nog maar het begin is van de weg die hij gaat,
solidair met onze eigen weg, heel dichtbij.

Zo komt Jezus op zijn ezel bij de muur van de stad:
Jeruzalem, beeld van strijd en van vrede tegelijk.
Jezus ziet de stad en weent, hij huilt.
Dit ene moment is als geen ander.
Hij overziet het leven, hij reikt verder. Hij is in het geheim- dat als een regenboog over ons leven is uitgespannen.
Voorbij de laatste stad.
Zoals je zelf vlak voor een spannend moment van b.v. een operatie even in
een flits je eigen leven overziet en misschien wel meer dan dat, als een BDE.
Wist Jezus wat er zou gaan komen?
We weten niet in hoeverre dit een gespeeld verhaal is, achteraf mooi in elkaar gezet. Dat gaat ons ook niet aan.
We zien wat we horen in dit ene verhaal.
Jezus – weent.
Hij is op dat moment verbonden met het grote wereld verdriet.
Even dat inzicht: waar zijn we in Gods naam mee bezig?
Wat doen we elkaar aan?
Jeruzalem, je begrijpt het leven niet, het is verborgen voor je ogen.
Er zal oorlog zijn zolang je niet hebt begrepen dat God naar je omziet.
God niet als een stoere held, die jou gaat redden maar als een mantel van
liefde om je heen geslagen.
Als iemand die naar jou omkijkt en begrijpt wat jij nodig hebt
zonder al te veel woorden, zomaar in een gebaar.
Jeruzalem, klein en groot in jou, in mij- in ons leven ingeweven.

Het leven van Jezus, zoals we dat uit de Bijbel kennen, wordt tot voorbij het uiterste opgerekt, uitgerekt.
Tot in het grote licht en in de diepste vernedering.
Alleen zo is zijn leven ons tot troost.
Hij, beeld voor ons eigen leven en tegelijk beelddrager van de Ene Nabije.
Jezus weent. Hij ziet hoe wij leven zonder enig houvast.
Hij – huilt om wat wij elkaar aandoen.
Hij is onze pijn en hij gaat het lijden aan.
Hij gaat de pijn aan, hij gaat door de poort.
Kort daarna zal hij sterven door wat mensen hem aandoen.
Die ene mens sterft niet voor mijn zonden maar door onze zonden als je
dat woord gebruiken wilt.
Teveel liefde in een kwetsbaar leven is onverteerbaar en roept agressie op.
Toen en nu nog steeds.
Het hele Jezus verhaal loopt uit op mislukking in een dood punt.
Als binnen in de spiraal- waar het aarde donker is, het duister van de lange nacht.

Ga maar. Voel maar, ruik en tast. Je komt er door.
Toen ik zelf eind twintig was,  werd ik erg ziek, het duurde meer dan een jaar.
Juist dit verhaal van Jezus daar bij de muur van de stad, hielp mij mijn weg te gaan. Ik huilde ook om meer dan mijn eigen pech, juist op die leeftijd als je je vleugels uit wilt slaan.
Ik raakte aan een veel groter verdriet, voelde mij deel van het grote wereld verdriet.
Verbonden met de pijn van het gemis, van het te kort.
Van het niet meer en van het nog niet.
Verbonden met de pijn van de mensen om mij heen, –
de vluchteling, de vreemdeling. Deel van de tranen van God.

Het verhaal van de Intocht gaat over ons.
Je kijkt naar buiten zover als dat je naar binnen kunt kijken.

De meest spannende reis is de weg naar binnen.
Je gaat die weg ten diepste alleen. Je vindt alleen door zelf te gaan.
Ieder aankomen is een nieuw begin.
Ieder oponthoud rust je toe.
Vandaag staan we even stil bij het oponthoud van Jezus op zijn weg.
Jeruzalem- Passie en Pasen.
Leven en dood, zo innig met elkaar verbonden.
Sta even stil, gun jezelf een oponthoud en laat komen wat komt.
Tranen en daaronder, misschien voor je gevoel ver weg, die grote vrede.

Die vrede zoeken de jonge mensen, twintigers, kinderen.
Ze zoeken een maatje voor op hun eigen weg.
Om even mee te lopen, een babbel en dan dat zwijgen rond het ene geheim.
Ver weg- tot aan de sterren en tegelijk net zo diep van binnen.

Ik denk aan de foto’s van Rineke Dijkstra. Zij legt iets van het geheim bloot in
de beelden die ze maakt. – transparant, volkomen transcendent- een kind aan het strand; een meisje met haar grote zus.
Je blijft kijken, zomaar omdat het verhaal van het mysterie wordt verteld zonder woorden in een gebaar, in een blik die de eeuwigheid begrijpt.

Ga je weg, maak een mooie stekkerdoos en zoek de weg naar binnen.
Je gaat alleen maar ook met elkaar, verbonden met het grote verdriet van de wereld ziel. Luister en kijk en als je moet huilen, geeft het niet.
Je bent niet de enige.
En als je wilt lachen, lach je- we zijn met elkaar.
Alleen door te gaan ontdek je jouw weg en groeit er vertrouwen dat er na
iedere bocht een nieuwe horizon zal zijn.